54.jpg

Wie is Giramata Schmit?

Giramata Schmit ziet er Afrikaans uit, maar dat is ze enkel aan de buitenkant. Ze werd geboren in Congo, heeft roots in Rwanda, maar groeide op in België. 

 

’Als ik naar Rwanda kijk, is dat met de ogen van een westerling.’ 
 
 
 

 

Giramata vertelt :

‘‘Mijn beide ouders waren Rwandees, maar ik werd geboren in Kinshasa, Congo. Daar trouwde mijn moeder met een Mechelaar. Hem beschouw ik dan ook als mijn echte vader. Op mijn vijfde erkende hij mij en kreeg ik de achternaam Schmit. Toen ik zes was, werd ik op internaat gestuurd naar Knokke-Heist want mijn ouders werkten in Afrika. Terwijl andere kinderen tijdens de vakanties met de trein naar huis vertrokken nam ik, eerst alleen en later met mijn zus, het vliegtuig naar Congo.

Tijdens de grote vakantie gingen we vaak op reis in Afrika maar ook elders in de wereld. Ik groeide op tussen verschillende culturen en nationaliteiten. Daarom stond ik als kind nooit stil bij de verschillen.’

Werd je in België soms aangesproken op je huidskleur?

‘Niet echt. Doordat ik me niet bewust was van verschillen, besefte ik niet dat ik zelf een beetje anders was. Tijdens mijn puberteit begon ik me wel vragen te stellen. Ik zag dat ik een andere huidskleur had dan mijn zus en broer, die half Vlaams en half Rwandees zijn. Maar in ons gezin werd daar nooit veel over gesproken.’

Toch kijken veel mensen eerst naar het uiterlijk, niet?

‘Ja, sommigen wel. Als je naar mij kijkt, zie je een Afrikaanse. Toch praat, loop en kleed ik me niet zoals de meeste Afrikaanse vrouwen. Dat maakt het soms verwarrend. Op straat weten ze niet goed hoe ze mij moeten aanspreken. Af en toe praten ze heel traag tegen me of spreken ze met opzet gebrekkig Nederlands zodat ik het goed zou verstaan. Als ik dan normaal antwoord, zijn ze verbaasd dat ik perfect Nederlands praat. ‘Gij spreekt Vloms?’’

Wil je die Afrikaanse kant van jezelf nog meer ontdekken?

‘Tuurlijk wel. In 2005 reisde ik voor het eerst in dertig jaar terug naar Rwanda. Ik ging ernaartoe om mijn land van afkomst te leren kennen en om mijn vader te zoeken, maar hij was helaas al gestorven. Ik vond wel zijn zus, mijn tante Angèle. Eén van haar zonen runt een koffiebedrijfje. Via hem kwam ik op het idee van Cawa’Gira, mijn eigen zaak in Mechelen waarbij ik mijn klanten een koffiebeleving aanbied. Ik vertel over Rwandese fairtradekoffie, en laat ze proeven en ruiken. Ik zocht een leuke manier om Rwanda te leren kennen, en koffie leek me de ideale manier.

In Rwanda ben ik wel met mijn neus op de feiten gedrukt. Ik paste niet in het Afrikaanse plaatje. Ik had wel het uiterlijk, maar ik keek door de ogen van een westerling. De Rwandezen begonnen tegen mij te praten in het Kiryarwanda, maar mijn moeder heeft me deze landstaal nooit geleerd. Ik moest steeds vragen “Français / English?”, wat voor verbazing zorgde bij de Rwandezen.’

Geef je een stukje van de Rwandese cultuur ook door aan je kinderen?

‘Ik vind het vooral jammer dat ik ze de taal niet kan leren. Ik ben intussen zelf gestart met Kiryarwanda, maar het is een hele moeilijke taal. Mijn kinderen dragen alle vier een Rwandese naam en hebben gelukkig op hun eigen manier een band met Rwanda. Mijn oudste dochter is designer. Ze ontwierp een sjaal die ze de naam Kane gaf, wat in Kiryarwanda het woord voor ‘vier’ is. Een andere dochter heeft haar zoon Manzi genoemd, een Rwandese naam. Dus onrechtstreeks hebben ze wel een band met Rwanda. Toen ze jong waren vroeg ik me af of ik die band moest forceren, maar ik ben blij dat ik dat niet gedaan heb.'

 

Dit artikel verscheen in 2015 in het magazine Living in Mechelen.

Tekst en Foto's: Sita-Grace Toko, Yasmien Vranken, Kurt Deruyter